Schaal berekenen
Reken snel tussen tekening en werkelijkheid — bij schaal 1:100 is 1 cm op papier gelijk aan 1 meter in het echt.
Schaal geeft aan hoe sterk een tekening of kaart is verkleind (of vergroot) ten opzichte van de werkelijkheid. Een bouwtekening op schaal 1:50 betekent dat 1 cm op het papier overeenkomt met 50 cm in werkelijkheid; op schaal 1:100 is dat 1 meter per centimeter. Deze tool rekent drie kanten op: van tekening naar werkelijkheid, van werkelijkheid naar tekening, of de schaal vinden uit twee gemeten maten.
Wat betekent een schaal als 1:100?
De notatie 1:N spreek je uit als 'één op honderd'. Dit betekent: elke afstand op de tekening is N keer zo klein als de werkelijkheid. Op schaal 1:100 is 1 cm op papier dus 100 cm in het echt, oftewel 1 meter. Op schaal 1:50 is 1 cm = 50 cm, dus twee keer zo gedetailleerd als 1:100.
Voor vergrotingen (bv. tekeningen van kleine onderdelen) gebruik je N:1. Schaal 10:1 betekent 10 cm op tekening = 1 cm in werkelijkheid. Maquettes en elektronica-tekeningen gebruiken vaak vergrotingen.
Welke schalen komen het meest voor?
| Schaal | 1 cm tekening = | Gebruikt bij |
|---|---|---|
| 1:20 | 20 cm | Meubeldetails, deurkozijnen |
| 1:50 | 50 cm | Plattegronden woningen, interieur |
| 1:100 | 1 m | Bouwtekeningen, verdiepingsplattegronden |
| 1:200 | 2 m | Totaalplannen grote gebouwen |
| 1:500 | 5 m | Kavel- en terreinsituaties |
| 1:1000 | 10 m | Stedenbouw, omgevingskaarten |
| 1:25 000 | 250 m | Topografische wandelkaart |
Tekening naar werkelijkheid — en andersom
De rekenregel is simpel: werkelijke_maat = tekenmaat · N. Op schaal 1:100 is 4,5 cm tekening dus 4,5 · 100 = 450 cm = 4,5 m in werkelijkheid. De andere kant op: tekenmaat = werkelijkheid / N. Een kamer van 3,60 m op schaal 1:50 wordt 360 / 50 = 7,2 cm op papier.
Let op: je moet de eenheden hetzelfde houden. De calculator rekent met getallen en schaalverhouding — of alles in cm, mm of m is, is niet relevant zolang je ze consequent gebruikt.
De schaal vinden uit twee maten
Als je geen schaalaanduiding hebt maar wel weet wat één maat in werkelijkheid is, kun je de schaal zelf bepalen. Meet de corresponderende afstand op de tekening en deel de werkelijke maat door de tekenmaat. Voorbeeld: een muur op de tekening is 6 cm, in werkelijkheid 4,80 m (= 480 cm), dus de schaal is 480 / 6 = 80 — oftewel 1:80.
Kaartenschaal en kilometers
Voor kaarten is de schaal vaak groot: 1:25 000 betekent 1 cm op de kaart = 25 000 cm = 250 m = 0,25 km in werkelijkheid. Een topografische wandelkaart gebruikt meestal 1:25 000 of 1:50 000; autokaarten 1:200 000 tot 1:500 000. Op Google Maps verandert de schaal met de zoom: op maximaal inzoomen is het circa 1:1000.
Formule
Schaal 1:N betekent: 1 tekening = N werkelijkheid Van tekening naar werkelijkheid: werkelijkheid = tekenmaat · N Van werkelijkheid naar tekening: tekenmaat = werkelijkheid / N Schaal bepalen: N = werkelijkheid / tekenmaat → schaal = 1 : N Bij vergrotingen (tekening > werkelijkheid): schaal = M : 1 waar M = tekenmaat / werkelijkheid Voorbeeld — schaal 1:50, muur 7,2 cm op tekening: werkelijk = 7,2 · 50 = 360 cm = 3,60 m
Voorbeelden
- Schaal 1:100 — 4,5 cm op tekening4,50 m in werkelijkheid
- Schaal 1:50 — kamer van 3,60 m7,20 cm op tekening
- Tekening 6 cm ↔ werkelijk 480 cmSchaal 1:80
- Topo-kaart 1:25 000 — 12 cm tussen dorpen3 km werkelijke afstand
Veelgestelde vragen
Wat betekent schaal 1:100 precies?
Is schaal 1:50 of 1:100 gedetailleerder?
Hoe reken ik een kaartschaal om naar kilometers?
Wat is een vergroting, bijvoorbeeld 2:1?
Verandert de oppervlakte ook met de schaal?
Moet ik cm of mm gebruiken?
Gerelateerde tools
Uitgelichte artikelen
Alle artikelenGemiddelde berekenen: de complete gids (rekenkundig, gewogen, mediaan en modus)
Het gemiddelde is een van de meest gebruikte begrippen in de wiskunde — en ook een van de meest misverstane. Of je nu schoolcijfers wilt middelen, maandelijkse uitgaven analyseert of een wetenschappelijk rapport leest: weten hoe het gemiddelde werkt is basiskennis. In deze complete gids leggen we alle soorten gemiddelden uit, laten we zien wanneer je welk type gebruikt en geven we praktische formules en voorbeelden die je direct kunt toepassen.
Gewogen gemiddelde berekenen: cijfers, tentamens en statistieken (met voorbeelden)
Je haalde een 6 voor je schriftelijk en een 9 voor je werkstuk — maar wat is je eindcijfer? Als het schriftelijk twee keer zo zwaar weegt, is het antwoord geen 7,5. Dit is het gewogen gemiddelde in de praktijk: niet elke meting telt even zwaar, en die ongelijkheid leidt tot een ander eindresultaat dan je intuïtie verwacht. In dit artikel leer je precies hoe het gewogen gemiddelde werkt, hoe je het berekent voor schoolcijfers, enquêtes en beleggingen, en welke fouten je moet vermijden.
Breuken berekenen: complete uitleg met voorbeelden (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen)
Breuken zijn een van de eerste 'lastige' onderdelen van de wiskunde — en tegelijk een van de meest praktische. Of je nu een recept halveert, een korting uitrekent, een schaal interpreteert of huiswerk voor groep 7–8 helpt: breuken zitten overal. Toch raken veel mensen het overzicht kwijt zodra de noemers verschillen of er gemengde getallen in spel komen. In deze complete gids leggen we elke breukbewerking stap voor stap uit, met formules, praktijkvoorbeelden en de belangrijkste valkuilen — zodat breuken voor jou (en je kinderen) net zo makkelijk worden als gewoon optellen.
Laatst bijgewerkt: 14 april 2026