RekenmachinePro
Werk & ZZP

Bruto naar netto in 2026: zo bereken je je nettoloon

Wat houd je in 2026 echt over van je brutoloon? In deze gids zetten we de officiële cijfers uit het Belastingplan 2026 op een rij — schijven, heffingskortingen, sociale premies, pensioen en de 30%-regeling — en rekenen we twee complete voorbeelden uit, zodat je precies ziet hoe het bedrag op je loonstrook tot stand komt.

11 april 202613 min leestijdDoor RekenmachinePro Redactie

Wat zit er tussen bruto en netto?

Het verschil tussen je brutoloon en wat er op je rekening komt bestaat in Nederland uit drie hoofdbestanddelen: inkomstenbelasting (box 1), premies volksverzekeringen, en — als je in loondienst bent — een eventuele werknemersbijdrage aan het pensioen. Daarboven betalen werkgevers nog een aantal premies (Aof, Awf, Zvw-werkgeversheffing) die niet van je brutoloon afgaan, maar wel je 'werkgeverskosten' bepalen.

Wat het netto-rekenwerk in 2026 vooral leesbaar maakt, is dat de overheid de laatste jaren bewust werkt met heffingskortingen die afbouwen naarmate je meer verdient. Dat leidt tot effectief hogere marginale tarieven in bepaalde inkomensklassen — de middeninkomens — en is de voornaamste reden waarom een loonsverhoging soms minder oplevert dan je verwacht.

De box 1-schijven in 2026

Voor mensen onder de AOW-leeftijd kent box 1 in 2026 drie schijven. Schijf 1 combineert het inkomstenbelastingdeel (17,07%) met de premies volksverzekeringen (AOW, Anw, Wlz) tot een gecombineerd tarief. Schijf 2 en 3 bestaan alleen uit inkomstenbelasting, omdat boven de AOW-grens geen premies volksverzekeringen meer worden geheven.

SchijfBelastbaar inkomenTarief 2026
1tot € 38.88335,70%
2€ 38.884 t/m € 78.42637,56%
3vanaf € 78.42749,50%

Heffingskortingen 2026

Heffingskortingen verlagen rechtstreeks de belasting die je moet betalen — geen aftrekpost op je inkomen, maar een direct bedrag eraf. De twee belangrijkste voor werknemers zijn de algemene heffingskorting (AHK) en de arbeidskorting. Beide hebben een maximumbedrag en bouwen vervolgens af naarmate je inkomen stijgt.

Sinds 2025 telt voor de AHK het hele verzamelinkomen mee voor de afbouw, niet meer alleen box 1. Dat raakt vooral mensen met aanvullend kapitaalinkomen of resultaat uit overige werkzaamheden.

KortingMaximum 2026Afbouw startAfbouwpercentage
Algemene heffingskorting€ 3.115vanaf € 29.7366,4%
Arbeidskorting€ 5.685vanaf € 45.5926,51%

Sociale premies 2026 — wie betaalt wat?

Een hardnekkig misverstand is dat werknemers in Nederland WW- of WIA-premies betalen. Dat is sinds de Wfsv niet meer zo: de werknemersverzekeringen (Awf, Aof, Ufo) zijn werkgeverslasten en gaan níet van je brutoloon af. Wel betaalt je werkgever ze, en ze maken deel uit van de totale loonkosten — wat in onderhandelingen relevant is.

Voor de Zorgverzekeringswet geldt iets bijzonders: bij een dienstverband wordt de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (de 'hoge bijdrage' van 6,10% in 2026) door de werkgever betaald boven op je brutoloon. Bij ZZP'ers, DGA's en uitkeringsgerechtigden geldt de 'lage bijdrage' van 4,85% en die wordt wél direct ingehouden.

PremieTarief 2026Wie betaalt
AWf laag (vaste contracten)2,74%Werkgever
AWf hoog (flex/tijdelijk)7,74%Werkgever
Aof laag (kleine werkgever)6,27%Werkgever
Aof hoog (middel/groot)7,63%Werkgever
Zvw werkgeversheffing6,10%Werkgever bij dienstverband
Zvw inkomensafhankelijke bijdrage4,85%ZZP'ers, DGA's, uitkeringen
Maximum premie- en bijdrageloon€ 79.409

Pensioenpremie en de AOW-franchise

Als je via je werkgever pensioen opbouwt, draag je vaak een werknemersdeel bij aan de pensioenregeling. Dat bedrag wordt afgetrokken van je belastbare loon vóór de loonheffing wordt berekend — het verlaagt dus je netto-belasting maar ook je werkelijk bestede inkomen.

Pensioen wordt opgebouwd over het deel van je salaris bóven de AOW-franchise. Het idee: het stuk dat AOW al dekt, hoef je niet nog eens via aanvullend pensioen te verzekeren. De minimale franchise voor middelloon- en beschikbare-premieregelingen (de 100/75-verhouding) is in 2026 vastgesteld op € 19.172. Voor eindloonregelingen ligt de franchise hoger, op € 21.694.

Het maximum pensioengevend loon volgens artikel 18ga is in 2026 € 137.800. Boven dat bedrag mag je in de tweede pijler geen fiscaal gefacilieerd pensioen meer opbouwen — dat moet via netto-pensioen of de derde pijler.

30%-regeling: stand 2026 en wat er in 2027 verandert

Voor ingekomen werknemers met specifieke deskundigheid blijft de 30%-regeling in 2026 op het bekende niveau: 30% van het loon kan onbelast worden vergoed. De salarisnorm voor 2026 is € 48.013 op jaarbasis (belastbaar deel, dus na aftrek van de 30%-vergoeding). Voor jongeren onder de 30 met een masterdiploma geldt een lagere norm van € 36.497.

Per 2026 vervalt de overgangsregeling voor de WNT-norm: het maximum waarover de regeling kan worden toegepast is voor iedereen € 262.000.

Per 1 januari 2027 wordt het percentage definitief verlaagd naar een vast tarief van 27% — geen schijven meer. De salarisnorm gaat naar € 50.436 (peil 2024, daarna geïndexeerd) en voor jongeren met master naar € 38.338. Werknemers die uiterlijk 31 december 2023 al gebruik maakten van de regeling, behouden onder een overgangsregeling het oude 30%-tarief en de oude (geïndexeerde) salarisnormen voor de gehele looptijd van hun beschikking.

Voorbeeldberekening: € 3.500 bruto per maand

We rekenen door wat een alleenstaande werknemer onder de AOW-leeftijd in 2026 netto overhoudt bij een brutoloon van € 3.500 per maand. Uitgangspunten: volledige loonheffingskorting toegepast, geen 30%-regeling, en pensioenpremie buiten beschouwing gelaten zodat je het zuivere belastingdeel ziet.

Bruto jaarloon (12 × € 3.500) = € 42.000. Daarover wordt belasting in twee schijven berekend: 38.883 × 35,70% = € 13.881,23 en (42.000 − 38.883) × 37,56% = € 1.170,75. Samen € 15.051,98 aan ruwe loonheffing.

Heffingskortingen: dit inkomen ligt boven het AHK-afbouwpunt, dus de algemene heffingskorting wordt 3.115 − (42.000 − 29.736) × 6,4% = € 2.330,10. De arbeidskorting is op € 42.000 nog niet afgebouwd (afbouw start pas vanaf € 45.592), dus volledig € 5.685. Totale kortingen: € 8.015,10.

Netto loonheffing: 15.051,98 − 8.015,10 = € 7.036,88 per jaar. Netto jaarloon: 42.000 − 7.037 ≈ € 34.963. Netto per maand (excl. vakantiegeld): circa € 2.914. Het vakantiegeld van 8% (€ 3.360 bruto) wordt apart afgerekend tegen het bijzonder tarief en levert ongeveer € 1.885 netto extra op.

Voorbeeldberekening: € 5.500 bruto per maand

Bij een hoger inkomen begint de afbouw van de heffingskortingen serieus mee te tellen. Bruto jaarloon: 12 × € 5.500 = € 66.000.

Loonheffing in twee schijven: 38.883 × 35,70% = € 13.881,23 en (66.000 − 38.883) × 37,56% = € 10.185,15. Samen € 24.066,38.

Heffingskortingen lopen flink terug: arbeidskorting = 5.685 − (66.000 − 45.592) × 6,51% = € 4.356,44. Algemene heffingskorting = 3.115 − (66.000 − 29.736) × 6,4% = € 794,10. Totaal: € 5.150,54.

Netto loonheffing: 24.066,38 − 5.150,54 = € 18.915,84 per jaar. Netto jaarloon: 66.000 − 18.916 ≈ € 47.084. Netto per maand: circa € 3.924. Het vakantiegeld (€ 5.280 bruto) komt er via het bijzonder tarief netto met ongeveer € 2.619 bij.

De effectieve marginale druk in dit segment is hoog: bij elke extra euro tussen € 45.592 en € 78.426 betaal je 37,56% belasting plus 6,51% afbouw arbeidskorting plus 6,4% afbouw AHK. Dat komt in totaal neer op iets meer dan 50% — vandaar het gevoel dat een loonsverhoging hier pijnlijk weinig oplevert.

Bijzonder tarief: vakantiegeld, 13e maand en bonus

Eenmalige beloningen — vakantiegeld, 13e maand, bonus — worden niet belast tegen het tarief van een normale maand, maar via het 'bijzonder tarief'. Dat is geen vast percentage, maar volgt uit een tabel die je werkgever toepast op basis van je vorige jaarloon plus een correctie voor de afbouw van heffingskortingen.

Het effect: in middeninkomens (€ 45.000 – € 78.000) ligt het effectieve bijzonder tarief vaak rond 50%, omdat naast de schijfbelasting óók de afbouw van zowel arbeidskorting als algemene heffingskorting wordt verrekend in één klap. Mensen schrikken vaak van dat percentage op de vakantiegeld-strook.

Goed nieuws: dit is een voorlopige inhouding. Bij de aangifte inkomstenbelasting wordt het werkelijke bedrag definitief vastgesteld over je hele jaar, en in veel gevallen krijg je een deel terug. Bij sterk wisselende inkomens kan het andersom uitpakken.

Modaal inkomen 2026

Modaal is geen wettelijk begrip maar een inkomensgrootheid die het CPB jaarlijks publiceert in de Macro Economische Verkenning (MEV). Voor 2026 raamt het CPB het modaal bruto jaarinkomen op € 48.000 inclusief vakantiegeld — een stijging van 3,2% ten opzichte van € 46.500 in 2025.

Voor het maandloon komt dat neer op ongeveer € 4.000 inclusief vakantiegeld of € 3.704 exclusief. Modaal valt daarmee precies in het segment waar het effectieve marginale tarief hoog ligt — wat verklaart waarom belastingdiscussies vaak rond 'de modale werknemer' worden gevoerd.

Reken het direct uit

Onze bruto-naar-netto-calculator past de actuele schijven, heffingskortingen en sociale premies van 2026 toe en toont per stap waar het verschil zit. Combineer met de uurloon-calculator om te zien wat je netto per uur verdient, of met de vakantiegeld-calculator om eenmalige uitkeringen apart door te rekenen tegen het bijzonder tarief.

Tot slot

De gouden regel: bruto en netto verhouden zich in Nederland niet via één vast percentage, maar via een opeenstapeling van schijven, heffingskortingen en — als je in dat segment zit — afbouwregelingen. Dat maakt het rekenen complex, maar ook voorspelbaar zodra je de stappen kent.

Voor 2026 zijn de belangrijkste cijfers om te onthouden: schijf 1 35,70% tot € 38.883, schijf 2 37,56% tot € 78.426, schijf 3 49,50% daarboven. Maximum AHK € 3.115, maximum arbeidskorting € 5.685. En vergeet niet dat je werkgever boven op je brutoloon nog ongeveer 15-20% aan werkgeverslasten betaalt — het volledige plaatje is altijd groter dan wat er op je loonstrook staat.

Bronnen

Bijbehorende calculators

Lees ook

Laatst bijgewerkt: 11 april 2026